De Transsylvaanse hoogvlakte: graslanden vol wolven en verborgen dorpjes
In het Târnava-gebied rond Sighișoara liggen graslanden die rijker zijn aan plantensoorten dan eender waar in Europa. Viscri toont hoe dat standhoudt.

Rond Sighișoara liggen graslanden die per vierkante meter meer plantensoorten tellen dan de meeste Europese natuurreservaten. Dat is geen toeval: het zijn hooilanden die al eeuwen door boeren worden gemaaid, en net die eeuwenlange begrazing houdt de biodiversiteit in stand.
Het Târnava-gebied: biodiversiteit als bijproduct van landbouw
De hoogvlakte van Transsylvanië, met het Târnava-gebied als kern, is een van de laatste landschappen in Europa waar grootschalige landbouw nooit is doorgedrongen. Kleine percelen, hooien met de zeis en extensieve begrazing hebben een mozaïek van bloemrijke graslanden opgeleverd. Daar profiteren orchideeën, vlinders en bijen van, maar ook de grote roofdieren die er nog rondtrekken.
Roemenië herbergt naar schatting de grootste wolvenpopulatie van de Europese Unie buiten Rusland, en ook beren komen er in aantal voor. Die dieren hebben ruimte nodig, en die ruimte is er omdat het landschap niet versnipperd is door snelwegen en monoculturen. De terugkeer is dus geen natuurbeleid dat van bovenaf werd opgelegd, maar een gevolg van wat de landbouw hier nooit is geworden.
Viscri: een dorp dat bleef
Viscri is het bekendste voorbeeld van hoe dat werkt. Het dorp in het district Brașov, met zijn versterkte kerk die op de Unesco-lijst staat, trok de voorbije decennia toeristen en nieuwkomers aan. Dat bracht inkomsten, maar ook een spanning: hoe meer bezoekers, hoe groter de druk op deels verharde wegen en op de hooilanden eromheen.
Wat Viscri onderscheidt van veel andere dorpen in de regio, is dat de landbouw er niet is verdwenen. Er wordt nog gemaaid, er lopen nog schapen, en de kerk en de huizen zijn gerestaureerd met lokale materialen. De vraag is of dat zo blijft wanneer de generatie die het land bewerkt ermee ophoudt.
Waarom de roofdieren terug zijn
De wolf en de beer zijn in de Karpaten nooit helemaal weggeweest, maar hun aantal neemt toe in de randzones van de hoogvlakte. Dat komt door de beschermde status die beide soorten in de EU genieten, en door het voedselaanbod: schapen en ander vee op de extensieve weiden. Voor boeren betekent dat een reëel conflict, met schade aan kuddes tot gevolg. Elektrische afrastering en waakhonden zijn de praktische antwoorden, maar die kosten geld en tijd.
Voor de reiziger die de streek bezoekt, is dat de context die je ziet wanneer je door de dorpen wandelt: geen wildernis, maar een cultuurlandschap dat toevallig ook een van de rijkste natuurgebieden van Europa is. Wie er komt, komt voor de graspiepers en de klokken van de versterkte kerken, en voor de wetenschap dat dit landschap alleen blijft bestaan zolang iemand het maait.






