Klompen beschilderen in Friese dorpen: van ijs tot erfgoed
In Friese dorpen als Jubbega en Lippenhuizen worden houten klompen nog met de hand beschilderd, met patronen die verwijzen naar het schaatsen op natuurijs.

In Jubbega en Lippenhuizen, twee dorpen in de Friese Wouden, wordt het ambacht van klompen beschilderen nog steeds beoefend. Het is een traditie die teruggaat tot de negentiende eeuw, toen klompenmakers hun producten versierden met bloemen en geometrische motieven. Vandaag de dag zijn er nog een handvol ambachtslieden actief, vooral in deze regio.
Van ijs naar hout
De link met schaatsen en ijs is niet toevallig. Friesland staat bekend om zijn elfstedentocht en natuurijs, en klompen werden traditioneel gedragen door boeren en arbeiders. In de winter, als het ijs betrouwbaar was, trokken mensen de bevroren sloten en meren op. De beschildering van klompen evolueerde mee: naast bloemen kwamen er ook afbeeldingen van schaatsen, ijspret en winterse taferelen op de klompen. Die motieven dienden als herinnering aan de schaatstochten en als decoratie voor het huis.
Patronen en kleuren per streek
Elke streek in Friesland had zijn eigen kleuren en patronen. In de Wouden overheersen felle kleuren zoals rood, geel en blauw, met gestileerde tulpen en bladeren. In de zuidwesthoek, rond Sneek en IJlst, zijn de ontwerpen vaak subtieler, met fijne lijnen en meer natuurlijke tinten. In het noorden, bij Dokkum, zien we vaker geometrische patronen en strepen. Deze verschillen zijn ontstaan doordat elke klompenmaker zijn eigen stijl ontwikkelde en die doorgaf aan leerlingen. Er was geen centrale opleiding; het vak werd geleerd in de werkplaats.
Techniek: uitsnijden en beschilderen
Het maken van een beschilderde klomp begint met een blok hout, meestal populieren- of wilgenhout omdat dat zacht en licht is. De klomp wordt ruw uitgehouwen met een dissel en daarna fijn afgewerkt met een mes. Vervolgens wordt het oppervlak geschuurd en in de grondverf gezet. Daarna komt het uitsnijden van het patroon: met een guts of beitel worden lijnen en vlakken uitgesneden, zodat er reliëf ontstaat. Pas dan volgt het beschilderen, laag voor laag, met acryl- of olieverf. De ambachtsman gebruikt vaak een fijne penseel voor de details. Tot slot gaat er een vernislaag overheen om het ontwerp te beschermen tegen vocht en slijtage.
Een ambacht onder druk
Het aantal klompenbeschilderaars in Friesland is de afgelopen decennia gedaald. In de jaren vijftig waren er nog tientallen, nu zijn het er minder dan tien. De oorzaak is tweeledig: klompen worden steeds minder gedragen, en het ambacht is arbeidsintensief. Een beschilderde klomp kost al snel tientallen euro's, terwijl een machinaal gemaakte klomp een fractie daarvan kost. Toch zijn er nog steeds liefhebbers die de traditie in stand houden, vaak via workshops en demonstraties in dorpshuizen en musea.
Wie meer wil weten over de techniek of de geschiedenis, kan terecht bij het Klompenmuseum in Eelde of het Fries Museum in Leeuwarden. Beide hebben collecties met beschilderde klompen uit de negentiende en twintigste eeuw. Voor wie zelf aan de slag wil: in Jubbega geeft een van de laatste ambachtslieden nog af en toe cursussen, maar de wachtlijst is lang.






