Koken op zonne-energie met een zelfgebouwde paraboolkoker
Een paraboolkoker bundelt zonlicht op één punt en haalt temperaturen die hoog genoeg zijn om te koken. Je bouwt er een met karton en aluminiumfolie.

Een paraboolkoker werkt met één principe: invallend zonlicht wordt gebundeld in een klein brandpunt, waar de temperatuur hoog genoeg oploopt om te koken. De techniek is oud en eenvoudig, en de materialen zijn dat ook.
Zo werkt de bundeling
Het binnenoppervlak van de parabool is bedekt met een reflecterende laag, meestal aluminiumfolie. Die weerkaatst het zonlicht naar één punt. Omdat alle stralen daar samenkomen, is de energie geconcentreerd op een kleine plek in plaats van verspreid over de hele schotel. In dat brandpunt hangt de pot.
Hoe groter het reflecterende oppervlak, hoe meer licht je opvangt en hoe heter het wordt. De vorm moet zo dicht mogelijk bij een echte parabool liggen, anders valt het brandpunt niet samen en blijft de pot lauw.
Bouwen met karton en folie
Karton is het dragende materiaal: het is licht, goedkoop en met de hand in een gebogen vorm te krijgen. Daarover komt de folie. Gladde folie reflecteert beter dan gerimpelde, dus het aanbrengen vraagt wat geduld.
De pot staat in het brandpunt, op een houder die zelf geen schaduw op de schotel mag werpen. De schotel moet bovendien op de zon gericht blijven. Bij kleine kokers volstaat het om ze af en toe bij te draaien; bij grotere exemplaren gebeurt dat met een eenvoudig volgmechanisme.
Koken zonder brandstof
In ontwikkelingslanden is de aantrekkingskracht niet alleen ecologisch. Wie nu hout of gas koopt om te koken, bespaart met een zonne-koker geld en hoeft geen brandstof te zoeken of te dragen. Dat is vooral voelbaar in streken waar de zonuren talrijk zijn en de aanvoer van brandstof onzeker of duur is.
De keerzijde is even concreet: zonder zon kookt er niets. Bewolking, regen en de vroege avond vallen weg, dus een zonne-koker vervangt een gewone kookinstallatie zelden volledig. In de praktijk wordt hij een aanvulling, niet de enige keuken.
Wat je zelf moet uitzoeken
De prestaties hangen af van dingen die per ontwerp en per locatie verschillen: de grootte van de schotel, de kwaliteit van de folie, de hoek waaronder de zon staat en het gewicht van de pot. Wie zelf bouwt, doet er goed aan eerst de temperatuur in het brandpunt te meten voor er eten in gaat.
Voor wie in België wil uitproberen: reken op een zonnige namiddag in de zomer, richt de schotel handmatig bij en begin met iets kleins. De vraag die je jezelf moet stellen is niet of het principe werkt, maar of jouw schotel op jouw terras heet genoeg wordt op het moment dat je wil koken.






